Overhemd

 In Blog

Toon me zijn overhemd en ik zal U het karakter van de man erin vertellen…

Zo ongeveer zei mijn vader dat de wereld in elkaar zat.

Ik geloofde dat.

Vanaf vroeger al en ik heb, met uitzonderingen, dat natuurlijk wel, mezelf aan die hoegenaamd ongeschreven wet weten te houden.

Dat wil zeggen, ik heb geprobeerd altijd of in ieder geval vaak hemden te dragen die tenminste iets van karakter in zich droegen en die niet in de uitverkoop bij Zeeman terecht kwamen of het goed deden op de 30 April markt in de Amsterdamse Beethovenstraat.

Daar, in die straat, kocht ik, op wankele, eigen benen staande, wel mijn eerste overhemden. Bij HIJ, een toen nieuwe winkel waar hip en goed samen leken te gaan. We spreken van de laat jaren zeventig van de vorige eeuw. The Eagles waren toen “in” en die droegen geen dress shirts, zo U begrijpt.

Voor de rest droeg de Nederlandse man in die dagen C&A, dat niet voordeliger was, maar dat wisten we toen niet. Een ander tamelijk “hip” merk was Arrows, dat grensde aan klassiek, maar het had ook al wel kleurtjes. Mijn vader droeg Dunhill, kan ik me herinneren. Vaak saai wit.

Hij liet zijn hemden en pakken maken en dat heette sjiek te zijn in die dagen.

Omdat je het, als jong adolescent in principe niet met de daden en gedachten van je ouders eens hoorde te zijn, ging ik hemden dragen die ik in Canada en de USA kocht en die mijn oude heer, na een korte blik, “rubbish” noemde.

Hij zei me wel eens dat de ziel van een goed hemd in het boord lag, dat er voldoende stof moest zijn om het hemd goed in de broek te stoppen (en dus niet een blote buik of affreuze bilnaad te tonen bij onhandige bewegingen) en dat een heer toch echt “french cuffs” diende te dragen. Met manchetknopen die ook weer sterk en karaktervol waren.

Ooit zag ik een bekende Nederlandse komiek met manchetknopen waar Donald Duck op te zien was. Nooit meer naar de man geluisterd.

Mijn hemden kwamen dus veelal uit de USA. Na mijn armoedzaaierjaren verliet ik het pad van HIJ. Het werd, voorzichtig aan, Oger en daarna Van Laack en Melka (Zweeds). Maar toch ook Polo, Hilfiger (jaren negentig toen ze goede button-downs maakten die 39.95 dollar kosten en die vrij blits stonden) of heel soms het huismerk van The Society Shop, dat lekker ruim viel. Vervolgens werd het (maat gemaakt, ik geef het blozend toe) Zegna en soms nog wel eens kocht ik het eigen merk van Harry Rosen in Canada en van de befaamde Brooks Bros in de VS.

Die hadden mooie wide spreads met buttondown. Hemden die je zonder das kon dragen en nadat Prins Claus dat wonderschone gebaar gemaakt had zijn stropdas de wereld in te zwaaien, zat ik een tijdje met de gedachte: en nu?

Voor de televisie droeg ik hemden met dassen en dat NIET meer te doen zou stijlbreuk betekenen, ondanks Claus.

Dat kon dus niet.

Overigens is de gemiddelde aankleding van Nederlandse presentatoren op de buis werkelijk om te huilen.

Om onverklaarbare redenen blijft dat zo en is er geen smaakpolitie die daar iets aan doet.

Waarschijnlijk omdat de bazen van die matig geklede jongens en mannen er zelf ook zo vormeloos en slordig uitzien.

De Nederlander geeft, om het zo maar eens duidelijk te stellen, geen geld uit aan zijn uiterlijk.

Een hemd mag in ons land hooguit 23.45 Euro kosten en zeker niet meer en met de uitverkoop kopen vrouwen voor hun mannen drie stuks voor 50 Euro en kijken niet naar wat voor boord er op het hemd zit.

Liefst 84.95% van de mannen laat dat, God beter het, ook nog toe, want dan is men van dat “gedoe” af.

Nadat ik een aantal winters lang de vaderlandse televisiecritici de gordijnen ingekregen had met het dragen van Noorse Dale truien (ik zei er steeds bij: de Rolls Royce onder de wintertruien) en zij niet uitgeschreven raakten over die, in hun ogen, monstrueuze dingen, zon ik op een nieuwe (beeld)grap.

Overigens, maar dat nog even voor die mannen en vrouwen die echt niets wisten, ook Ard Schenk, Johann Olav Koss, Rintje Ritsma, Robert Redford, Eric Heiden, het hele Noorse en Zweedse vorstenhuis, Kees Verkerk, misschien zelfs wel W.A. van Buren en Björn Dahlie droegen Dale truien. Met trots en verve, maar ach…voor de Nederlander was dit al snel te veel en voor mensen met beperkte vermogens…laat eigenlijk ook maar.

O ja, nog een uithaaltje dan. Ik was enorm blij dat ik ooit een katoenen zomerversie van Dale aan kon schaffen. Droeg ik tijdens de Tour toen we naast de ijsbaan van Alpe d’ Huez uitzonden. Geweldig voorplezier had ik toen…heerlijk.

Ik dacht voor de winterspelen van Vancouver 2010 en voor de Ronde van Frankrijk van hetzelfde jaar, aan een verandering van mijn kleedpatroon. Niet echt haaks iets anders, maar een zekere vorm van “vernetting”, als dat laatste een Nederlands woord is. Speels en vooral kwaliteit, sjiek soms en toch met een knipoogje.

Bij jasjesmaker Jacques van Gils in Breda vond ik een luisterend oor en hij raadde me aan voor mijn shirts eens naar Westbroek bij Utrecht te trekken. “Die jongens kunnen wel wat,” had hij gezegd.

Pardon?

Een echte shirtmaker verwacht je op de Herengracht in Amsterdam of in Bergamo of Milaan, maar Westbroek?

Het resultaat, kan ik nu in augustus 2010 verklappen, is stunning.

Ik krijg complimenten voor de kleding die ik aan heb (meer van vrouwen dan van mannen) en de kranten hebben tijdens de afgelopen Tour weer sporen van “wat we niet kennen, eten we niet” vertoond.

Sommigen vielen weer over…de kleding. Echt waar.

Ik had de mannen in Westbroek voorgehouden dat een zwaar overstyled hemd met lange korte mouwen het wel eens aardig zou kunnen doen.

Je moest denken aan het shirt van de Britse voetbalploeg West Bromwich Albion. Een shirt dus met grote vlakken, verschillende, maar ook in detail terugkerende kleuren en dat werd het ook.

De mannen maakten vier verschillende shirts en vier maal droeg ik zo’n hemd tijdens De Avondetappe en daarnaast een pallet aan nette, conservatieve, maar toch vlotte overhemden.

Grappig maar waar, ook op de sociale media (blogs, twitters) werd er direct gereageerd op die blokhemden. Er bestond ineens een “Mart Smeets hemd”.

Je kunt dus blijkbaar de grootst mogelijke onzin vertellen op de televisie en daar zal niemand echt aandacht aan schenken, maar trek eens een hemd aan dat “anders” is en je hebt het zitten.

Ik heb voor de komende tijd mijn kast vol met keurig gesneden, prettig draagbare hemden van de mannen uit Westbroek en ik ben er vreselijk blij mee.

Van suf wit met ronde, niet veel voorkomende boorden, van schotse ruiten met witte manchetten tot paarse streepjes…ze durven daar alles met je aan en dat maakt de samenwerking met die mannen zo prettig.

Zij zien in wat mijn vader al lang geleden tegen me zei.

Het karakter van een man zit (mede) in het overhemd.

Als je dus een goede hemdenmaker tegenkomt, koester die en laat de ontwerpers hun gang gaan. Je moet er voor naar Westbroek rijden. Parkeren bij de Rabobank en achterom lopen.

Ik ben een blije drager.

Mart Smeets

foto credits: Atlas Contact

Recent Posts

Leave a Comment